Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
rook, damp
smoke or gas that has a sharp smell or is harmful if inhaled
Voorbeelden
The chef accidentally inhaled fumes from the burnt food, making her cough.
De chef ademde per ongeluk dampen in van het verbrande voedsel, wat haar deed hoesten.
to fume
01
stomen, woedend zijn
to be very angry, often showing signs of visible irritation
Intransitive: to fume with a negative emotion
Voorbeelden
I could see her fuming with rage after the argument.
Ik kon haar na de ruzie van woede zien roken.
02
roken, blootstellen aan dampen
to expose something to fumes or gases for a particular effect
Transitive: to fume sth
Voorbeelden
They fumed the fabric to make it more resistant to wrinkles.
Ze hebben het textiel gerookt om het meer kreukbestendig te maken.
03
roken, damp afgeven
to give off smoke, steam, or a gas
Intransitive
Voorbeelden
The engine began to fume after running for hours.
De motor begon te roken na urenlang te hebben gedraaid.



























