Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to fasten
01
vastmaken, dichtmaken
to bring two parts of something together
Transitive: to fasten two connecting pieces
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
fasten
3e persoon enkelvoud
fastens
onvoltooid deelwoord
fastening
onvoltooid verleden tijd
fastened
voltooid deelwoord
fastened
Voorbeelden
He couldn't figure out how to fasten the buttons on his shirt with his cold fingers.
Hij kon niet uitvinden hoe hij de knopen van zijn shirt met zijn koude vingers kon vastmaken.
02
sluiten, vastmaken
to become closed with buttons, etc.
Intransitive
Voorbeelden
The jacket fastens with a zipper, providing a quick and convenient way to close it.
De jas sluit met een rits, wat een snelle en handige manier biedt om hem te sluiten.
03
vestigen, concentreren
to focus or direct one's attention, gaze, etc. intently and steadily
Ditransitive: to fasten one's attention on sth
Voorbeelden
Despite the distractions in the bustling café, she was able to fasten her attention on her book.
Ondanks de afleidingen in het drukke café, kon ze haar aandacht op haar boek vestigen.
04
vastmaken, stevig vasthouden
to hold or grip firmly in place
Transitive: to fasten one's grip somewhere
Voorbeelden
He fastened his grip on the railing as the ship rocked in the storm.
Hij verstevigde zijn greep op de reling terwijl het schip in de storm heen en weer schommelde.
Lexicale Boom
fastened
fastener
fastening
fasten



























