Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to fall apart
01
uit elkaar vallen, uiteenvallen
to fall or break into pieces as a result of being in an extremely bad condition
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
apart
basiswerkwoord
fall
tegenwoordige tijd
fall apart
3e persoon enkelvoud
falls apart
onvoltooid deelwoord
falling apart
onvoltooid verleden tijd
fell apart
voltooid deelwoord
fallen apart
Voorbeelden
The neglected house, worn down by years of weathering, finally began to fall apart, with sections of the roof and walls collapsing.
Het verwaarloosde huis, versleten door jaren van weersinvloeden, begon uiteindelijk uit elkaar te vallen, met delen van het dak en de muren die instortten.
02
uiteenvallen, instorten
to experience a mental breakdown
Intransitive
Voorbeelden
After the traumatic event, she began to fall apart emotionally, struggling to cope with the aftermath.
Na het traumatische evenement begon ze emotioneel uit elkaar te vallen, worstelend om met de nasleep om te gaan.
03
uiteenvallen, instorten
(of an organization or system, or agreement) to experience a breakdown or failure in its structure, operations, or cohesion
Intransitive
Voorbeelden
The business partnership began to fall apart when disagreements over financial matters arose.
De zakelijke samenwerking begon uiteen te vallen toen er onenigheid ontstond over financiële kwesties.



























