Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to die
01
sterven, overlijden
to no longer be alive
Intransitive
Voorbeelden
Despite the efforts of the medical team, the patient succumbed to their illness and died peacefully.
Ondanks de inspanningen van het medische team, bezweek de patiënt aan zijn ziekte en stierf vredig.
02
sterven, stoppen met werken
to suddenly malfunction or stop operating
Intransitive
Voorbeelden
His flashlight died in the dark woods.
Zijn zaklamp ging kapot in het donkere bos.
03
sterven, verdwijnen
to cease to exist or be forgotten
Intransitive
Voorbeelden
With the passage of time, memories of that event have died.
Met het verstrijken van de tijd zijn de herinneringen aan die gebeurtenis gestorven.
04
uitdoven, doven
(of a fire or light) to no longer be burning or shining
Intransitive
Voorbeelden
He let the embers of the bonfire die away before heading to bed.
Hij liet de gloeiende kolen van het kampvuur uitdoven voordat hij naar bed ging.
05
smachten naar, snakken naar
to have a strong longing or intense desire for something or someone
Transitive: to die to do sth | to die for sth
Voorbeelden
She 's dying to try that new restaurant in town.
Ze sterft van verlangen om dat nieuwe restaurant in de stad te proberen.
01
a small cube marked on each face with one to six spots, used in games of chance
02
a tool used for shaping or forming metal
03
a cutting tool fitted into a diestock to cut external threads on screws, bolts, pipes, or rods



























