date
date
deɪt
deit
dante

Definitie en betekenis van "date"in het Engels

01

afspraak, date

a time that is arranged to meet a person with whom one is in a relationship or is likely to be in the future 
date definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
dates
Voorbeelden
She was excited about her date with him at the new Italian restaurant. 

Ze was opgewonden over haar date met hem in het nieuwe Italiaanse restaurant.

02

datum

a specific day in a month or sometimes a year, shown using a number and sometimes a name 
date definition and meaning
Voorbeelden
I need to check my calendar to see if I'm available on that date. 

Ik moet mijn agenda controleren om te zien of ik beschikbaar ben op die datum.

03

date, begeleider

a person who accompanies another individual in a romantic or social context 
date definition and meaning
Voorbeelden
She went to the prom with her date, wearing a beautiful gown and corsage. 

Ze ging naar het prombal met haar date, gekleed in een prachtige jurk en een corsage.

04

dadel, dadel

a small brown fruit with a sweet taste and a hard seed 
date definition and meaning
Voorbeelden
I love the sweet and caramel-like taste of fresh dates. 

Ik hou van de zoete en karamelachtige smaak van verse dadels.

05

datum, tijdperk

a particular year, period, or era, often characterized by certain events or cultural trends 
Voorbeelden
The date of the event is set for next month. 

De datum van het evenement is vastgesteld voor volgende maand.

06

datum, dag

the current time or moment being referred to 
Voorbeelden
As of this date, the report is still incomplete. 

Tot op deze datum is het rapport nog onvolledig.

07

datum, dag

a particular day or period identified in connection with an event or action 
Voorbeelden
The meeting date was moved to Friday. 

De datum van de vergadering is verplaatst naar vrijdag.

to date
01

uitgaan met, daten

to go out with someone that you are having a romantic relationship with or may soon start to have one 
Transitive: to date sb
to date definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
date
3e persoon enkelvoud
dates
onvoltooid deelwoord
dating
onvoltooid verleden tijd
dated
voltooid deelwoord
dated
Voorbeelden
He asked her to date him on Valentine's day 

Hij vroeg haar om met hem uit te gaan op Valentijnsdag.

02

dateren, de datum bepalen van

to determine or figure out when something happened or was created 
Transitive: to date an event or object
Voorbeelden
The archaeologists used carbon dating to date the ancient artifacts. 

De archeologen gebruikten koolstofdatering om de oude artefacten te dateren.

03

dateren, van een datum voorzien

to write or label something with a specific date to indicate when it was created, sent, or recorded 
Transitive: to date a package or document
Voorbeelden
Please date the form at the top before submitting it. 

Gelieve het formulier bovenaan te dateren voordat u het indient.

04

daten met

to be romantically involved with someone 
Intransitive
Voorbeelden
They started to date after meeting at a friend's party. 

Ze begonnen te daten nadat ze elkaar op een feestje van een vriend hadden ontmoet.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store