to affirm
a
ə
ē
ffirm
ˈfɜ:m
fēm
squirminfirmthermsperm

Definitie en betekenis van "affirm"in het Engels

to affirm
01

bevestigen, bekrachtigen

to confirm a legal decision or judgment 
Transitive: to affirm a statement or belief
to affirm definition and meaning
Voorbeelden
The court affirmed the previous ruling. 

De rechtbank bevestigde de eerdere uitspraak.

02

bevestigen, bekrachtigen

to declare or confirm the truth, validity, or acceptance of a judgment, agreement, or statement 
Transitive: to affirm a judgment or statement
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
affirm
3e persoon enkelvoud
affirms
onvoltooid deelwoord
affirming
onvoltooid verleden tijd
affirmed
voltooid deelwoord
affirmed
Voorbeelden
The committee unanimously affirmed the appointment of the new CEO, recognizing her qualifications and experience. 

De commissie bevestigde unaniem de benoeming van de nieuwe CEO en erkende haar kwalificaties en ervaring.

03

bevestigen, affirmeren

to answer positively or to confirm a statement or belief 
Transitive: to affirm that
Voorbeelden
The survey results affirmed that the majority of participants preferred option A. 

De onderzoeksresultaten bevestigden dat de meerderheid van de deelnemers optie A verkoos.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store