Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to wash up
[phrase form: wash]
01
wassen, zich opfrissen
to clean one's hands, face, or body, typically using water and soap
Dialect
American
Intransitive
Voorbeelden
She always washes up after playing with her pet.
Ze wast zich altijd na het spelen met haar huisdier.
02
afwassen, de afwas doen
to clean plates, cups, bowls, or other kitchen items after eating
Dialect
British
Transitive: to wash up kitchenware
Intransitive
Voorbeelden
The restaurant staff quickly washed up the dishes after closing time.
Het restaurantpersoneel waste snel de afwas na sluitingstijd.
03
aanspoelen, worden aangespoeld
to be carried to a destination by the force of water
Voorbeelden
A collection of old bottles washed up near the riverbank.
Een verzameling oude flessen aangespoeld bij de rivieroever.
04
uitgeput zijn, kapot zijn
to become very tired
Transitive: to wash up sb
Voorbeelden
The emotional stress from the situation washed him up both mentally and physically.
De emotionele stress van de situatie heeft hem zowel mentaal als fysiek uitgeput.
05
aanspoelen, afzetten
(of water or a current) to move things to a specific location
Voorbeelden
The river washed up logs on the riverbank during the flood.
De rivier spoelde boomstammen aan op de oever tijdens de overstroming.
06
opduiken, onverwacht aankomen
to appear or come to a location or situation unexpectedly
Voorbeelden
The lost puppy eventually washed up on a neighbor's doorstep.
Het verloren puppy spoelde uiteindelijk aan bij de voordeur van een buurman.



























