sight
sight
saɪt
sait
slight

Definitie en betekenis van "sight"in het Engels

01

zicht, gezichtsvermogen

the physical ability of seeing 
sight definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
Voorbeelden
His sight began to deteriorate with age, requiring him to wear glasses. 

Zijn zicht begon met de leeftijd te verslechteren, waardoor hij een bril moest dragen.

02

bezienswaardigheden, toeristische attracties

places that tourists are interested in, particularly those with historical, cultural, or natural significance 
sight definition and meaning
Voorbeelden
Exploring the sights of a new city is an essential part of experiencing its culture and history firsthand. 

Het verkennen van de bezienswaardigheden van een nieuwe stad is een essentieel onderdeel van het direct ervaren van de cultuur en geschiedenis.

03

aanblik, zicht

an instance or act of seeing something through visual perception 
Voorbeelden
The sight of the distant mountains brought a sense of calm to his mind. 

Het zicht op de verre bergen bracht een gevoel van rust in zijn geest.

04

zicht, schouwspel

anything that is seen 
05

zicht, gezicht

the act of looking or seeing or observing 
06

zicht, gezichtsveld

the range or extent within which something can be seen 
Voorbeelden
The mountains were just barely within sight as the sun began to set. 

De bergen waren net nog in zicht toen de zon begon onder te gaan.

07

perspectief, visie

the scope or extent of one's mental perspective or insight 
Voorbeelden
Her sight into the complexities of human nature made her an excellent psychologist. 

Haar inzicht in de complexiteit van de menselijke natuur maakte haar een uitstekende psycholoog.

08

een menigte, een groot aantal

A considerable number, amount, or extent of something 
Voorbeelden
There was a sight of people at the festival, making it hard to move. 

Er was een menigte mensen op het festival, wat het moeilijk maakte om te bewegen.

to sight
01

zien, waarnemen

to see or observe with the eyes 
Transitive: to sight sth
to sight definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
sight
3e persoon enkelvoud
sights
onvoltooid deelwoord
sighting
onvoltooid verleden tijd
sighted
voltooid deelwoord
sighted
Voorbeelden
The sailor sights land after weeks at sea, feeling a sense of relief. 

De zeeman ziet land na weken op zee en voelt een gevoel van opluchting.

02

richten, vizieren

to align or aim a firearm on a target by looking through its sights 
Transitive: to sight a shooting target
Voorbeelden
The sniper sighted the enemy through the scope of his rifle. 

De sluipschutter mikte op de vijand door de kijker van zijn geweer.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store