Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to naturalize
01
naturaliseren, het staatsburgerschap verlenen
to grant citizenship to a foreigner
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
naturalize
3e persoon enkelvoud
naturalizes
onvoltooid deelwoord
naturalizing
onvoltooid verleden tijd
naturalized
voltooid deelwoord
naturalized
Voorbeelden
The state moves to naturalize eligible residents after they complete the required process.
De staat gaat over tot het naturaliseren van in aanmerking komende inwoners nadat zij het vereiste proces hebben voltooid.
1.1
naturaliseren, het staatsburgerschap verkrijgen
to obtain legal citizenship in a country where one was not born
Voorbeelden
He applied to naturalize as a citizen of Australia.
Hij diende een aanvraag in om zich als Australisch staatsburger te naturaliseren.
02
naturaliseren, natuurlijker maken
to make something more natural or lifelike
Voorbeelden
She naturalizes the puppet's movements to appear realistic.
Zij naturaliseert de bewegingen van de pop om ze realistisch te laten lijken.
03
naturaliseren, acclimatiseren
to adapt someone or something to a new place
Voorbeelden
He struggled to naturalize to the cold climate.
Hij worstelde om zich aan het koude klimaat te wennen.
04
naturaliseren, acclimatiseren
to adapt a plant, animal, or land to a new environment
Voorbeelden
Botanists naturalized the foreign species to the botanical garden.
De botanisten acclimatiseerden de vreemde soort in de botanische tuin.
05
naturaliseren, verklaren door natuurwetten
to explain something in terms of natural laws or processes
Voorbeelden
He naturalized human emotions as responses to environmental stimuli.
Hij naturaliseerde menselijke emoties als reacties op omgevingsprikkels.
Lexicale Boom
denaturalize
naturalized
naturalize
natural
nature



























