Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to lessen
01
verminderen, verkleinen
to become smaller in extent, size, or range
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
lessen
3e persoon enkelvoud
lessens
onvoltooid deelwoord
lessening
onvoltooid verleden tijd
lessened
voltooid deelwoord
lessened
Voorbeelden
Stress levels often lessen with regular exercise and relaxation.
Stressniveaus verminderen vaak met regelmatige lichaamsbeweging en ontspanning.
02
verminderen, verlagen
to reduce the amount or degree of something
Transitive: to lessen degree of something
Voorbeelden
Hiring additional staff can lessen the workload on existing employees.
Het aannemen van extra personeel kan de werkdruk voor bestaande werknemers verlichten.
Lexicale Boom
lessened
lessening
lessen



























