Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
wackeln
[past form: wackelte]
01
wiebelen, wankelen
Sich leicht hin und her bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
wackele
3e persoon enkelvoud
wackelt
onvoltooid deelwoord
wackelnd
onvoltooid verleden tijd
wackelte
voltooid deelwoord
gewackelt
Voorbeelden
Mein Stuhl wackelt – kannst du ihn reparieren?
Mijn stoel wiebelt – kun je hem repareren?
02
los zitten, wiebelen
Nicht fest sitzen
Voorbeelden
Die Türklinke wackelt, aber sie fällt nicht ab.
De deurknop wiebelt, maar valt er niet af.



























