wackeln
Pronunciation
/ˈvakl̩n/

Definitie en betekenis van "wackeln"in het Duits

wackeln
[past form: wackelte]
01

wiebelen, wankelen

Sich leicht hin und her bewegen
wackeln definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
wackele
3e persoon enkelvoud
wackelt
onvoltooid deelwoord
wackelnd
onvoltooid verleden tijd
wackelte
voltooid deelwoord
gewackelt
Voorbeelden
Mein Stuhl wackelt – kannst du ihn reparieren?
Mijn stoel wiebelt – kun je hem repareren?
02

los zitten, wiebelen

Nicht fest sitzen
Voorbeelden
Die Türklinke wackelt, aber sie fällt nicht ab.
De deurknop wiebelt, maar valt er niet af.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store