Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
stören
01
storen, verstoren
Unterbrechen oder unangenehm beeinflussen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
störe
3e persoon enkelvoud
stört
onvoltooid deelwoord
störend
onvoltooid verleden tijd
störte
voltooid deelwoord
gestört
Voorbeelden
Ich wollte dich nicht stören.
Ik wilde je niet storen.



























