Zoeken
aus sein
01
afgelopen zijn, beëindigd zijn
Zu Ende oder vorbei sein
Voorbeelden
Wann ist das Konzert aus?
Wanneer is het concert afgelopen ?
02
uit zijn, buiten werking zijn
Nicht eingeschaltet oder nicht mehr in Betrieb sein
Voorbeelden
Mein Handy war die ganze Nacht aus.
Mijn telefoon was de hele nacht uit.


























