Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aus sein
01
afgelopen zijn, beëindigd zijn
Zu Ende oder vorbei sein
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
onregelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
sein
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
bin aus
3e persoon enkelvoud
ist aus
onvoltooid deelwoord
ausseiend
onvoltooid verleden tijd
aus war
voltooid deelwoord
aus gewesen
Voorbeelden
Wann ist das Konzert aus?
Wanneer is het concert afgelopen ?
02
uit zijn, buiten werking zijn
Nicht eingeschaltet oder nicht mehr in Betrieb sein
Voorbeelden
Mein Handy war die ganze Nacht aus.
Mijn telefoon was de hele nacht uit.



























