auschecken
auschecken
aʊsʧɛkng
awschekng

Definitie en betekenis van "auschecken"in het Duits

auschecken
01

uitchecken, vertrekken

Ein Hotel oder eine Unterkunft offiziell verlassen und abrechnen 
auschecken definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
checken
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
checke aus
3e persoon enkelvoud
checkt aus
onvoltooid deelwoord
auscheckend
onvoltooid verleden tijd
checkte aus
voltooid deelwoord
ausgecheckt
Voorbeelden
Wir müssen bis 11 Uhr auschecken. 

We moeten uitchecken voor 11 uur.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store