ausbauen
aus
aʊs
aws
bauen
baʊən
bawen
auftauenaufbauenausbaden

Definitie en betekenis van "ausbauen"in het Duits

ausbauen
01

demonteren, uit elkaar halen

Etwas auseinandernehmen oder demontieren, typischerweise Teile einer Maschine oder Einrichtung 
ausbauen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
bauen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
baue aus
3e persoon enkelvoud
baut aus
onvoltooid deelwoord
ausbauend
onvoltooid verleden tijd
baute aus
voltooid deelwoord
ausgebaut
Voorbeelden
Er baut den Motor aus, um ihn zu reparieren. 

Hij demonteert de motor om hem te repareren.

02

uitbreiden, verbeteren

Etwas erweitern oder verbessern, z.B. Infrastruktur, Fähigkeiten oder Systeme 
ausbauen definition and meaning
Voorbeelden
Die Stadt will das Radwegenetz ausbauen. 

De stad wil het fietsnetwerk uitbreiden.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store