Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausbauen
01
demonteren, uit elkaar halen
Etwas auseinandernehmen oder demontieren, typischerweise Teile einer Maschine oder Einrichtung
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
bauen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
baue aus
3e persoon enkelvoud
baut aus
onvoltooid deelwoord
ausbauend
onvoltooid verleden tijd
baute aus
voltooid deelwoord
ausgebaut
Voorbeelden
Der Techniker baute die defekte Festplatte aus.
De technicus demonteerde de defecte harde schijf.
02
uitbreiden, verbeteren
Etwas erweitern oder verbessern, z.B. Infrastruktur, Fähigkeiten oder Systeme
Voorbeelden
Das Unternehmen baut seine Produktion aus.
Het bedrijf breidt zijn productie uit.



























