Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le travail
01
werk, baan
activité qu'une personne fait pour gagner de l'argent
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
travaux
Voorbeelden
Il cherche un travail dans une entreprise.
Hij zoekt een baan in een bedrijf.
02
taak, werk
tâche ou activité que quelqu'un doit faire, souvent avec effort
Voorbeelden
Ce travail demande de la concentration.
Dit werk vereist concentratie.
03
weeën, bevallingsweeën
ensemble des contractions qui annoncent la naissance du bébé
Voorbeelden
Le travail a commencé à minuit.
De weeën begonnen om middernacht.



























