Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le travail
[gender: masculine]
01
werk, baan
activité qu'une personne fait pour gagner de l'argent
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
travaux
Voorbeelden
Le travail commence à neuf heures.
Het werk begint om negen uur.
02
taak, werk
tâche ou activité que quelqu'un doit faire, souvent avec effort
Voorbeelden
Le professeur a donné un travail à faire à la maison.
De leraar gaf huiswerk om thuis te maken.
03
weeën, bevallingsweeën
ensemble des contractions qui annoncent la naissance du bébé
Voorbeelden
Le médecin surveille le travail de la patiente.
De arts houdt de bevalling van de patiënt in de gaten.



























