marcher
Pronunciation
/maʀʃe/

Definitie en betekenis van "marcher"in het Frans

marcher
01

lopen, wandelen

se déplacer en posant un pied devant l'autre
marcher definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
marche
1e persoon meervoud
marchons
1e persoon toekomende tijd
marcherai
onvoltooid deelwoord
marchant
voltooid deelwoord
marché
1e persoon meervoud imperfectum
marchions
Voorbeelden
Nous allons marcher jusqu' à la gare.
We gaan lopen naar het station.
02

marcheren, paraderen

avancer en groupe avec des pas réguliers, souvent en formation militaire
marcher definition and meaning
Voorbeelden
Les enfants marchent en rangs à l' école.
De kinderen marcheren in rijen op school.
03

werken, functioneren

fonctionner correctement, être en bon état de marche
marcher definition and meaning
Voorbeelden
Cette clé ne marche pas sur cette porte.
Deze sleutel werkt niet op deze deur.
04

goed gaan, soepel verlopen

se dérouler comme prévu, bien se passer
marcher definition and meaning
Voorbeelden
Le projet ne marche pas comme on l' espérait.
Het project loopt niet zoals we hoopten.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store