Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
marcher
01
lopen, wandelen
se déplacer en posant un pied devant l'autre
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
marche
1e persoon meervoud
marchons
1e persoon toekomende tijd
marcherai
onvoltooid deelwoord
marchant
voltooid deelwoord
marché
1e persoon meervoud imperfectum
marchions
Voorbeelden
Nous allons marcher jusqu' à la gare.
We gaan lopen naar het station.
02
marcheren, paraderen
avancer en groupe avec des pas réguliers, souvent en formation militaire
Voorbeelden
Les enfants marchent en rangs à l' école.
De kinderen marcheren in rijen op school.
03
werken, functioneren
fonctionner correctement, être en bon état de marche
Voorbeelden
Cette clé ne marche pas sur cette porte.
Deze sleutel werkt niet op deze deur.
04
goed gaan, soepel verlopen
se dérouler comme prévu, bien se passer
Voorbeelden
Le projet ne marche pas comme on l' espérait.
Het project loopt niet zoals we hoopten.



























