marcher
mar
maʁ
mar
cher
ʃe
she
marcheur

Definitie en betekenis van "marcher"in het Frans

marcher
01

lopen, wandelen

se déplacer en posant un pied devant l'autre 
marcher definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
marche
1e persoon meervoud
marchons
1e persoon toekomende tijd
marcherai
onvoltooid deelwoord
marchant
voltooid deelwoord
marché
1e persoon meervoud imperfectum
marchions
Voorbeelden
Je marche tous les matins dans le parc. 

Ik loop elke ochtend in het park.

02

marcheren, paraderen

avancer en groupe avec des pas réguliers, souvent en formation militaire 
marcher definition and meaning
Voorbeelden
Les soldats marchent dans la parade. 

De soldaten marcheren in de parade.

03

werken, functioneren

fonctionner correctement , être en bon état de marche 
marcher definition and meaning
Voorbeelden
Mon ordinateur marche très bien. 

Mijn computer werkt heel goed.

04

goed gaan, soepel verlopen

se dérouler comme prévu, bien se passer 
marcher definition and meaning
Voorbeelden
Leur relation marche très bien. 

Hun relatie verloopt erg goed.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store