guérir
guérir
geʁiʁ
gerir
chérir

Definitie en betekenis van "guérir"in het Frans

guérir
01

genezen, helen

rendre ou redevenir en bonne santé aprÚs une maladie 
guérir definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
guéris
1e persoon meervoud
guérissons
1e persoon toekomende tijd
guérirai
onvoltooid deelwoord
guérissant
voltooid deelwoord
guéri
1e persoon meervoud imperfectum
guérissions
Voorbeelden
Les antibiotiques ont guéri son infection. 

De antibiotica hebben zijn infectie genezen.

02

herstellen, zich bevrijden

se libérer progressivement d'un état mental ou émotionnel négatif 
Voorbeelden
Il ne s'est pas encore guéri de ses préjugés. 

Hij is nog niet genezen van zijn vooroordelen.

03

bevrijden, verlichten

libérer quelqu'un d'une préoccupation ou d'un état mental négatif 
Voorbeelden
Il faut le guérir de ce souci. 

Men moet hem van deze zorg genezen.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store