Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
guérir
01
genezen, helen
rendre ou redevenir en bonne santé aprÚs une maladie
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
guéris
1e persoon meervoud
guérissons
1e persoon toekomende tijd
guérirai
onvoltooid deelwoord
guérissant
voltooid deelwoord
guéri
1e persoon meervoud imperfectum
guérissions
Voorbeelden
Ce nouveau traitement pourrait guérir certains cancers.
Deze nieuwe behandeling zou sommige kankers kunnen genezen.
02
herstellen, zich bevrijden
se libérer progressivement d'un état mental ou émotionnel négatif
Voorbeelden
Comment se guérir de cette obsession ?
Hoe genees je van deze obsessie?
03
bevrijden, verlichten
libérer quelqu'un d'une préoccupation ou d'un état mental négatif
Voorbeelden
La thérapie cherche à guérir les patients de leurs phobies.
De therapie probeert patiënten van hun fobieën te genezen.



























