friser
Pronunciation
/fʁizˈe/

Definitie en betekenis van "friser"in het Frans

friser
01

krullen, fronsen

donner des boucles ou ondulations aux cheveux
friser definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
frise
1e persoon meervoud
frisons
1e persoon toekomende tijd
friserai
onvoltooid deelwoord
frisant
voltooid deelwoord
frisé
1e persoon meervoud imperfectum
frisions
Voorbeelden
Les petites filles aiment se faire friser les cheveux.
Kleine meisjes vinden het leuk om hun haar te krullen.
02

rakelen, op het punt staan

frôler, être très proche de quelque chose
Voorbeelden
Le coureur frise la ligne d' arrivée sans la franchir.
De hardloper raakt de finishlijn zonder deze over te steken.
03

op het randje zijn, naderen

être proche de quelque chose, approcher un âge, un nombre ou une situation
Voorbeelden
Son score frise la perfection.
Zijn score scheert langs perfectie.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store