Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
déplaire
01
niet bevallen, ergeren
causer un sentiment de mécontentement ou de contrariété à quelqu'un
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
déplais
1e persoon meervoud
déplaisons
1e persoon toekomende tijd
déplairai
onvoltooid deelwoord
déplaisant
voltooid deelwoord
déplu
1e persoon meervoud imperfectum
déplaisions
Voorbeelden
Elle ne voulait pas déplaire à ses parents.
Ze wilde haar ouders niet ontevreden stellen.
02
niet bevallen, mishagen
ne pas plaire, ne pas être apprécié par quelqu'un
Voorbeelden
Ce plat déplaît souvent aux enfants.
Dit gerecht bevalt kinderen vaak niet.



























