Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
coincer
01
vastklemmen, in de val lokken
bloquer ou serrer quelque chose, ou être pris au piège
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
coince
1e persoon meervoud
coinçons
1e persoon toekomende tijd
coincerai
voltooid deelwoord
coincé
1e persoon meervoud imperfectum
coincions
Voorbeelden
La police a coincé le voleur dans une ruelle.
De politie dreef de dief in een steegje.
02
in het nauw drijven, in een moeilijke situatie brengen
mettre quelqu'un dans une situation difficile sans issue, souvent par des questions ou des pressions
Voorbeelden
L' enquêteur a coincé le suspect dans ses mensonges.
De onderzoeker dreef de verdachte in het nauw met zijn leugens.
03
klemmen, vastzetten
bloquer ou serrer quelque chose de manière à l'immobiliser
Voorbeelden
Elle a coincé ses cheveux dans la fermeture éclair.
Ze klemde haar haar vast in de rits.



























