Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bĂȘcher
01
graven, spitten
retourner, creuser ou ameublir la terre Ă l'aide d'une bĂȘche, surtout pour le jardinage ou l'agriculture
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
bĂȘche
1e persoon meervoud
bĂȘchons
1e persoon toekomende tijd
bĂȘcherai
voltooid deelwoord
bĂȘchĂ©
1e persoon meervoud imperfectum
bĂȘchions
Voorbeelden
Nous devons bĂȘcher ce terrain avant le semis.
We moeten dit land omspitten voordat we zaaien.
02
negeren, doen alsof je het niet ziet
ne pas prĂȘter attention Ă une personne, faire comme si elle n'existait pas
Voorbeelden
Depuis la dispute, il me bĂȘche systĂ©matiquement.
Sinds het meningsverschil negeert hij mij systematisch.
03
scherp bekritiseren, verbaal aanvallen
attaquer quelqu'un par des paroles trÚs sévÚres, le critiquer sans ménagement
Voorbeelden
Il n' hĂ©site pas Ă bĂȘcher ses adversaires politiques.
Hij aarzelt niet om zijn politieke tegenstanders scherp te bekritiseren.



























