Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
arranger
01
arrangeren, ordenen
mettre quelque chose en bon ordre ou dans une disposition agréable
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
arrange
1e persoon meervoud
arrangeons
1e persoon toekomende tijd
arrangerai
onvoltooid deelwoord
arrangeant
voltooid deelwoord
arrangé
1e persoon meervoud imperfectum
arrangions
Voorbeelden
Ils arrangent la salle avant l' événement.
Zij richten de zaal in voor het evenement.
02
organiseren, inrichten
rendre quelque chose plus beau ou mieux présenté
Voorbeelden
La photographe arrange la scène pour la photo.
De fotografe arrangeert de scène voor de foto.
03
arrangeren, aanpassen
adapter une musique ou un morceau pour un autre style ou ensemble
Voorbeelden
Ils ont arrangé la mélodie en version jazz.
Ze arrangeerden de melodie in een jazzversie.



























