Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
imponer
01
opleggen, toepassen
aplicar con autoridad una norma, obligación o castigo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
impongo
3e persoon enkelvoud
impone
onvoltooid deelwoord
imponiendo
onvoltooid verleden tijd
impuso
voltooid deelwoord
impuesto
Voorbeelden
El juez impuso una multa al acusado.
De rechter legde een boete op aan de verdachte.



























