Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to hale
01
slepen, trekken
to drag someone or something with force
Transitive: to hale sb/sth somewhere
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
hale
3e persoon enkelvoud
hales
onvoltooid deelwoord
haling
onvoltooid verleden tijd
haled
voltooid deelwoord
haled
Voorbeelden
The workers had to hale the fallen tree out of the road after the storm.
De arbeiders moesten de omgevallen boom na de storm uit de weg slepen.
02
slepen, dwingen
to compel or force someone to do something against their will
Transitive: to hale sb into sth
Voorbeelden
Parents should not hale their children into pursuing careers against their natural interests and aspirations.
Ouders zouden hun kinderen niet moeten dwingen om carrières na te streven die tegen hun natuurlijke interesses en aspiraties ingaan.
01
gezond, krachtig
enjoying good health and strength
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
halest
vergrotende trap
haler
gradueerbaar
Voorbeelden
The hale athlete maintained a disciplined routine, contributing to his overall well-being.
De gezonde atleet hield een gedisciplineerde routine aan, wat bijdroeg aan zijn algehele welzijn.



























