Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to grouch
01
mopperen, zeuren
to express unhappiness in an irritable manner
Intransitive: to grouch about sth
Voorbeelden
The old man would grouch about the noise from the construction site next door every morning.
De oude man mopperde elke ochtend over het lawaai van de bouwplaats naast hem.
Grouch
01
mopperaar, zeurpiet
a person who is habitually bad-tempered or complaining
Voorbeelden
Do n't be such a grouch; try to enjoy the party.
Wees niet zo'n mopperkont; probeer van het feest te genieten.



























