grouch
grouch
graʊʧ
grawch
/ɡɹˈa‍ʊt‍ʃ/

Definitie en betekenis van "grouch"in het Engels

01

mopperaar, zeurpiet

a person who is habitually bad-tempered or complaining
grouch definition and meaning
Informal
Offensive
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
grouches
Voorbeelden
Do n't be such a grouch; try to enjoy the party.
Wees niet zo'n zeurpiet; probeer van het feest te genieten.
to grouch
01

mopperen, zeuren

to express unhappiness in an irritable manner
Intransitive: to grouch about sth
to grouch definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
grouch
3e persoon enkelvoud
grouches
onvoltooid deelwoord
grouching
onvoltooid verleden tijd
grouched
voltooid deelwoord
grouched
Voorbeelden
The old man would grouch about the noise from the construction site next door every morning.
De oude man mopperde elke ochtend over het lawaai van de bouwplaats naast hem.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store