Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
giddily
01
met ongeremde vreugde, euforisch
with unrestrained joy, excitement, or high spirits
grammaticale informatie
Voorbeelden
They laughed giddily, swept up in the excitement of the festival.
Ze lachten uitgelaten, meegesleept door de opwinding van het festival.
02
duizelig, met verlies van evenwicht
in a way that causes dizziness or a loss of balance
Voorbeelden
She spun around giddily until she nearly lost her footing.
Ze draaide zich duizelig rond tot ze bijna haar evenwicht verloor.
Voorbeelden
They spent money giddily on unnecessary luxuries.
Ze gaven geld onbezonnen uit aan onnodige luxe.



























