to abound
Pronunciation
/əˈbaʊnd/

Definitie en betekenis van "abound"in het Engels

to abound
01

overvloedig aanwezig zijn, in grote hoeveelheden voorkomen

to be plentiful or to exist in large quantities
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
abound
3e persoon enkelvoud
abounds
onvoltooid deelwoord
abounding
onvoltooid verleden tijd
abounded
voltooid deelwoord
abounded
Voorbeelden
The marketplace is abounding with fresh fruits and vegetables, showcasing the bountiful offerings of the season.
De markt bruist van verse vruchten en groenten, wat de overvloedige aanbiedingen van het seizoen laat zien.
02

overvloedig zijn, wemelen

be in a state of movement or action
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store