Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to feign
01
veinzen, faken
to pretend, often with the intent to deceive or mislead others
Transitive: to feign an emotion or state
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
feign
3e persoon enkelvoud
feigns
onvoltooid deelwoord
feigning
onvoltooid verleden tijd
feigned
voltooid deelwoord
feigned
Voorbeelden
He feigned surprise when he received the unexpected gift, even though he knew about it beforehand.
Hij veinsde verrassing toen hij het onverwachte cadeau ontving, ook al wist hij er van tevoren van.



























