to feign
Pronunciation
/ˈfeɪn/

Definitie en betekenis van "feign"in het Engels

to feign
01

veinzen, faken

to pretend, often with the intent to deceive or mislead others
Transitive: to feign an emotion or state
to feign definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
feign
3e persoon enkelvoud
feigns
onvoltooid deelwoord
feigning
onvoltooid verleden tijd
feigned
voltooid deelwoord
feigned
Voorbeelden
He feigned surprise when he received the unexpected gift, even though he knew about it beforehand.
Hij veinsde verrassing toen hij het onverwachte cadeau ontving, ook al wist hij er van tevoren van.
02

veinzen, doen alsof

to pretend or give a false appearance
Intransitive
Voorbeelden
He feigned, but his smile could n’t hide his true feelings.
Hij veinsde, maar zijn glimlach kon zijn ware gevoelens niet verbergen.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store