to feign
feign
feɪn
fein
SpainplanereignLleyn

Definitie en betekenis van "feign"in het Engels

to feign
01

veinzen, faken

to pretend, often with the intent to deceive or mislead others 
Transitive: to feign an emotion or state
to feign definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
feign
3e persoon enkelvoud
feigns
onvoltooid deelwoord
feigning
onvoltooid verleden tijd
feigned
voltooid deelwoord
feigned
Voorbeelden
She feigned illness to get out of attending the party. 

Ze veinsde ziekte om niet naar het feest te hoeven gaan.

02

veinzen, doen alsof

to pretend or give a false appearance 
Intransitive
Voorbeelden
The actor feigned convincingly, making everyone believe his character was genuine. 

De acteur veinsde overtuigend, waardoor iedereen geloofde dat zijn personage oprecht was.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store