Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to embroider
01
borduren, versieren met borduurwerk
to sew decorative patterns on a piece of cloth with colored threads
Transitive: to embroider a piece of cloth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
embroider
3e persoon enkelvoud
embroiders
onvoltooid deelwoord
embroidering
onvoltooid verleden tijd
embroidered
voltooid deelwoord
embroidered
Voorbeelden
The grandmother taught her granddaughter how to embroider a personalized handkerchief.
De grootmoeder leerde haar kleindochter hoe ze een gepersonaliseerd zakdoekje kan borduren.
02
borduren, opsmukken
to embellish or enhance an account with imaginative or exaggerated details
Transitive: to embroider an account with untrue details
Voorbeelden
He embroidered his resume with embellished accomplishments and exaggerated job titles.
Hij borduurde zijn cv met opgesmukte prestaties en overdreven functietitels.



























