Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to embark
01
instappen, aan boord gaan
to board a plane or ship
Transitive: to embark a mass transport vehicle
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
embark
3e persoon enkelvoud
embarks
onvoltooid deelwoord
embarking
onvoltooid verleden tijd
embarked
voltooid deelwoord
embarked
Voorbeelden
After completing the check-in process, the passengers can embark the train to their destination.
Na het voltooien van het incheckproces kunnen de passagiers aan boord gaan van de trein naar hun bestemming.
02
beginnen, aanvatten
to start or initiate something, such as a new project or venture
Transitive: to embark on a project or venture
Voorbeelden
After years of planning, they are finally ready to embark on their dream of traveling around the world.
Na jaren van planning zijn ze eindelijk klaar om te beginnen aan hun droom om de wereld rond te reizen.
03
inschepen, beginnen
to proceed somewhere or start a journey, even though there may be potential risks or dangers involved
Transitive: to embark on a journey
Voorbeelden
Despite the storm warnings, the brave sailors chose to embark on their voyage across the rough seas.
Ondanks de stormwaarschuwingen kozen de dappere zeelieden ervoor om hun reis over de woeste zeeën te beginnen.
Lexicale Boom
disembark
embarkation
embarkment
embark



























