Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to designate
01
aanwijzen, benoemen
to choose someone for a certain position or task
Ditransitive: to designate sb to do sth
Transitive: to designate sb for sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
designate
3e persoon enkelvoud
designates
onvoltooid deelwoord
designating
onvoltooid verleden tijd
designated
voltooid deelwoord
designated
Voorbeelden
The manager will designate a team lead to coordinate the project.
De manager zal een teamleider aanwijzen om het project te coördineren.
02
aanwijzen, toewijzen
to choose or intend something for a specific purpose or role
Transitive: to designate sth as sth | to designate sth for a purpose
Voorbeelden
The organizers designated one tent as the main information center.
De organisatoren wezen één tent aan als het belangrijkste informatiecentrum.
03
aanwijzen, benoemen
to officially give a specific title, term, or label to someone or something
Ditransitive: to designate sb/sth a title
Voorbeelden
She was designated "Employee of the Month" for her hard work.
Ze werd aangewezen als "Werknemer van de Maand" voor haar harde werk.
04
aanwijzen, aanduiden
to show or indicate the exact location of something
Transitive: to designate a location or spot
Voorbeelden
The map will designate the location of the new store.
De kaart zal de locatie van de nieuwe winkel aangeven.
designate
01
aangewezen, benoemd
officially chosen or named for a position but not yet formally in office
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
voltooid-deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord
relationeel
niet gradueerbaar
Voorbeelden
The president-elect's designate cabinet members will assume their roles next month.
De aangewezen kabinetsleden van de verkozen president zullen volgende maand hun functies aanvaarden.
Lexicale Boom
designated
designation
designate



























