Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to defeat
01
verslaan, overwinnen
to win against someone in a war, game, contest, etc.
Transitive: to defeat an opponent
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
defeat
3e persoon enkelvoud
defeats
onvoltooid deelwoord
defeating
onvoltooid verleden tijd
defeated
voltooid deelwoord
defeated
Voorbeelden
The army worked together to defeat the enemy in a decisive battle.
Het leger werkte samen om de vijand in een beslissende slag te verslaan.
02
verijdelen, doen mislukken
to prevent something from succeeding
Transitive: to defeat a goal or effort
Voorbeelden
The storm defeated our plans for an outdoor wedding.
De storm heeft onze plannen voor een buitenbruiloft gedwarsboomd.
Defeat
01
nederlaag, mislukking
the state of having lost in a contest, war, competition, etc.
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
defeats
02
nederlaag, mislukking
the feeling that accompanies an experience of being thwarted in attaining your goals
Lexicale Boom
defeated
defeat



























