collar
co
ˈkɑ
kaa
llar
lər
lēr
/ˈkɒlə/

Definitie en betekenis van "collar"in het Engels

01

kraag, halsband

the part around the neck of a piece of clothing that usually turns over
collar definition and meaning
Voorbeelden
He rolled up the collar of his jacket to protect himself from the chilly wind.
Hij rolde de kraag van zijn jas op om zich te beschermen tegen de koude wind.
02

halsband, kraag

a band, typically made of leather, rope, or fabric, placed around an animal's neck to identify, control, or attach a leash
collar definition and meaning
Voorbeelden
He put a new collar on his dog before the walk.
Hij deed een nieuwe halsband om zijn hond voor de wandeling.
03

kraag, halsband

a tight necklace or band worn around a person's neck, often for fashion
collar definition and meaning
Voorbeelden
The collar rested snugly against her throat.
De kraag rustte comfortabel tegen haar keel.
04

halsband, kraag

a visible ring, band, or marking encircling the neck or throat area of an animal
Voorbeelden
A faint collar of feathers surrounded the chick's neck.
Een zwakke kraag van veren omringde de nek van het kuiken.
05

aanhouding, arrestatie

the act of apprehending someone, typically a criminal
Voorbeelden
The undercover operation led to the collar of several drug dealers.
De undercoveroperatie leidde tot de aanhouding van verschillende drugshandelaren.
06

rem, beperking

a figurative restraint or control placed on someone or something
Voorbeelden
She wore a collar of social expectations.
Ze droeg een halsband van sociale verwachtingen.
07

kraag, rand

the stitched rim at the opening of a shoe or boot that surrounds the ankle
Voorbeelden
Sneakers with a high collar support the ankle.
Sneakers met een hoge kraag ondersteunen de enkel.
08

kraag, ring

a short ring fastened over a rod or shaft to limit, guide, or secure a mechanical part
Voorbeelden
The collar stops the pulley from sliding.
De kraag voorkomt dat de katrol glijdt.
09

kraag, halsband

anything worn or placed about the neck
to collar
01

arresteren, aanhouden

to apprehend someone, usually by law enforcement
Voorbeelden
Security collared the intruder at the gate.
De beveiliging arresteerde de indringer bij de poort.
02

een halsband omdoen bij, uitrusten met een halsband

to provide or equip someone or something with a collar
Voorbeelden
He collared the horse before grooming it.
Hij deed de halsband om het paard voordat hij het verzorgde.
03

bij de kraag grijpen, bij de nek pakken

to grab or hold someone by the neck or collar
Voorbeelden
He collared his friend playfully during the game.
Hij greep zijn vriend speels bij de kraag tijdens het spel.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store