Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to tame
01
temmen, africhten
to make a wild animal or bird fit for living with people
Transitive: to tame a wild animal
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
tame
3e persoon enkelvoud
tames
onvoltooid deelwoord
taming
onvoltooid verleden tijd
tamed
voltooid deelwoord
tamed
Voorbeelden
Jane managed to tame the stray kitten, which now happily lives indoors.
Jane slaagde erin het zwerfkatje te temmen, dat nu gelukkig binnen leeft.
02
temmen, ontginnen
to prepare and develop wild or uncultivated land for farming or settlement
Transitive: to tame a land
Voorbeelden
The government encouraged farmers to tame the wilderness for cultivation.
De regering moedigde boeren aan om de wildernis te temmen voor cultivatie.
03
temmen, controleren
to reduce the strength or influence of something
Transitive: to tame intensity of something
Voorbeelden
The company implemented measures to tame excessive spending.
Het bedrijf heeft maatregelen genomen om het overmatige uitgeven te temmen.
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
tamest
vergrotende trap
tamer
gradueerbaar
Voorbeelden
The once-wild horse became tame after gentle training.
Het eens wilde paard werd getemd na zachte training.
02
flauw, saai
lacking excitement, vigor, or interest
Voorbeelden
The party was tame and ended early.
Het feest was saai en eindigde vroeg.
03
kalm, gematigd
calm, moderate, or lacking intensity in behavior or expression
Voorbeelden
His temper was tame in the heated meeting.
Zijn humeur was kalm in de verhitte vergadering.
04
tam, onderdanig
submissive, gentle, and easily managed
Voorbeelden
A tame child sat quietly during the ceremony.
Een mak kind zat rustig tijdens de ceremonie.
Lexicale Boom
tamable
tameable
tame



























