Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
big deal
01
groot probleem, wat maakt het uit
used to sarcastically or dismissively comment on something perceived as unremarkable or inconsequential
Voorbeelden
You got a B on the test, big deal.
Je hebt een B gehaald op de test, groot nieuws.
Big deal
01
een groot probleem, iets belangrijks
something of high priority or special importance
Voorbeelden
Winning the competition was a big deal for her.
De wedstrijd winnen was een groot probleem voor haar.
02
grootheid, belangrijk persoon
an important influential person



























