to shortchange
Pronunciation
/ʃˈɔːɹttʃˈeɪndʒ/
short-change

Definitie en betekenis van "shortchange"in het Engels

to shortchange
01

bedriegen, afzetten

to cheat someone by giving back less money than owed
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
samenstelling
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
shortchange
3e persoon enkelvoud
shortchanges
onvoltooid deelwoord
shortchanging
onvoltooid verleden tijd
shortchanged
voltooid deelwoord
shortchanged
Voorbeelden
He realized he had been shortchanged after paying for the groceries.
Hij realiseerde zich dat hij was opgelicht na het betalen van de boodschappen.
02

bedriegen, benadelen

to deprive someone of something due through deceit, unfairness, or neglect
Voorbeelden
Students are often shortchanged when courses are poorly taught.
Studenten worden vaak benadeeld wanneer cursussen slecht worden gegeven.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store