Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to rumble
01
rommelen, dreunen
to create a continuous, deep sound
Intransitive
Voorbeelden
The heavy machinery at the construction site rumbled throughout the day.
De zware machines op de bouwplaats rommelden de hele dag.
02
rommelen, dreunen
to make a deep, continuous sound while moving
Intransitive
Voorbeelden
The engine of the motorcycle rumbled as it revved up.
De motor van de motorfiets rommelde terwijl hij optrok.
03
rommelen, grommen
to make a low, continuous noise, often caused by hunger or digestion in the stomach
Voorbeelden
Her stomach rumbled at the smell of freshly baked bread.
Haar maag rommelde bij de geur van versgebakken brood.
Rumble
01
gerommel, gedreun
a loud low dull continuous noise
02
vechtpartij, knokpartij
a fight or brawl that takes place on the streets
Voorbeelden
He has been in a rumble before, so he knows how to defend himself.
Hij is eerder in een vechtpartij geweest, dus hij weet hoe hij zich moet verdedigen.
03
dienersstoel aan de achterkant van een koets, bagageruimte aan de achterkant van een koets
a servant's seat (or luggage compartment) in the rear of a carriage
Lexicale Boom
rumbling
rumbling
rumble



























