Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to plunder
01
plunderen, roven
to steal goods from a place or person, especially during times of war, chaos, or civil disorder
Transitive: to plunder a place
Voorbeelden
During the invasion, the army decided to plunder the enemy's resources.
Tijdens de invasie besloot het leger de middelen van de vijand te plunderen.
02
plunderen, toe-eigenen
to take material from artistic or academic work and use it for one's own purposes, often without permission
Transitive: to plunder intellectual property
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
plunder
3e persoon enkelvoud
plunders
onvoltooid deelwoord
plundering
onvoltooid verleden tijd
plundered
voltooid deelwoord
plundered
Voorbeelden
He plundered research from several papers to create his own report.
Hij plunderde onderzoek uit verschillende artikelen om zijn eigen verslag te maken.
03
plunderen, roven
to engage in theft or looting, usually in a violent or chaotic manner
Intransitive
Voorbeelden
After the town was abandoned, the thieves plundered in the darkness.
Nadat de stad was verlaten, plunderden de dieven in het donker.
04
plunderen, beroven
to steal goods, often by force, especially during times of chaos or disorder
Transitive: to plunder goods and valuables
Voorbeelden
The raiders plundered the merchant’s goods, taking everything of value.
De plunderaars plunderden de goederen van de koopman en namen alles van waarde mee.
Plunder
01
buit, plundering
property or valuables taken illegally, especially by force or during wartime
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
meervoudsvorm
plunders
Voorbeelden
The pirates divided the plunder after the raid.
De piraten verdeelden de buit na de overval.



























