Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to nurture
01
opvoeden, verzorgen
to care for and support the growth and development of a child until they reach adulthood
Transitive: to nurture a child
Voorbeelden
Foster parents dedicate themselves to nurturing children who need a loving and stable home.
Pleegouders wijden zich aan het opvoeden van kinderen die een liefdevol en stabiel thuis nodig hebben.
02
voeden, ontwikkelen
to help something develop, grow, evolve, etc.
Transitive: to nurture a quality
Voorbeelden
Her parents nurtured her love of learning from a young age.
Haar ouders koesterden haar liefde voor leren vanaf jonge leeftijd.
03
voeden, verzorgen
to provide an organism with nutrients through feeding
Transitive: to nurture a living being
Voorbeelden
Farmers nurture livestock with nutritious feed daily.
Boeren voeden vee dagelijks met voedzaam voer.
Voorbeelden
He nurtured a deep sense of loyalty to his mentor, even after their paths diverged.
Hij koesterde een diep gevoel van loyaliteit aan zijn mentor, zelfs nadat hun wegen zich hadden gescheiden.
Nurture
01
the process of helping someone grow, develop, and become an accepted member of the community
Voorbeelden
Teachers play a vital role in the nurture of young minds.
02
the traits, behaviors, or qualities acquired as a consequence of upbringing or treatment during childhood
Voorbeelden
Certain fears are more shaped by nurture than by genetics.
Lexicale Boom
nurtural
nurturance
nurturant
nurture



























