to argue
ar
ˈɑ:
aa
gue
gju:
gyoo

Definitie en betekenis van "argue"in het Engels

to argue
01

ruzie maken, redetwisten

to speak to someone often angrily because one disagrees with them 
Intransitive: to argue with sb
to argue definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
argue
3e persoon enkelvoud
argues
onvoltooid deelwoord
arguing
onvoltooid verleden tijd
argued
voltooid deelwoord
argued
Voorbeelden
He argues with everyone at work; it's so annoying! 

Hij ruzie met iedereen op het werk; het is zo vervelend!

02

argumenteren, discussiëren

to provide reasons when saying something is the case, particularly to persuade others that one is right 
Transitive: to argue that | to argue for sth | to argue against sth
Voorbeelden
He argued that increasing funding for education would lead to long-term benefits for society. 

Hij betoogde dat het verhogen van de financiering voor onderwijs tot langetermijnvoordelen voor de samenleving zou leiden.

03

betogen, beweren

to provide evidence or support for a particular conclusion or viewpoint 
Transitive: to argue a conclusion or viewpoint
Voorbeelden
The circumstances argue his involvement in the conspiracy. 

De omstandigheden pleiten voor zijn betrokkenheid bij de samenzwering.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store