zerplatzen
zerplatzen
t͡sɛɐ̯plat͡sn
tseplatsn
zerkratzen

Definitie en betekenis van "zerplatzen"in het Duits

zerplatzen
01

barsten, uit elkaar spatten

Plötzlich und mit Geräusch kaputtgehen 
zerplatzen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
onscheidbaar
partikel
zer
basiswerkwoord
platzen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
zerplatze
3e persoon enkelvoud
zerplatzt
onvoltooid deelwoord
zerplatzend
onvoltooid verleden tijd
zerplatzte
voltooid deelwoord
zerplatzt
Voorbeelden
Der aufgeblasene Beutel zerplatzte, als er auf einen Nagel fiel. 

De opgeblazen zak spatte uit elkaar toen hij op een spijker viel.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store