Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
zerlegen
01
uit elkaar halen, demonteren
Etwas in Einzelteile auseinandernehmen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
zer
basiswerkwoord
legen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
zerlege
3e persoon enkelvoud
zerlegt
onvoltooid deelwoord
zerlegend
onvoltooid verleden tijd
zerlegte
voltooid deelwoord
zerlegt
Voorbeelden
Die Mechaniker zerlegten den Flugzeugmotor für eine Inspektion.
De monteurs demontageerden de vliegtuigmotor voor een inspectie.



























