Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
kommen
01
komen, aankomen
Sich von einem Ort zu einem anderen bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
komme
3e persoon enkelvoud
kommt
onvoltooid deelwoord
kommend
onvoltooid verleden tijd
kam
voltooid deelwoord
gekommen
Voorbeelden
Die Kinder kommen nach dem Spielen nach Hause.
De kinderen komen thuis na het spelen.
02
verschijnen, zich tonen
Sichtbar oder erkennbar werden
Voorbeelden
Am Morgen kommt der Mond noch am Himmel.
's Ochtends verschijnt de maan nog aan de hemel.
03
tijd hebben, kunnen
Die Möglichkeit haben, etwas zu tun
Voorbeelden
Ich komme diese Woche nicht dazu, den Bericht zu schreiben.
Ik kom er deze week niet aan toe om het rapport te schrijven.
04
aankomen, eindigen
An einen bestimmten Platz oder Zustand gelangen
Voorbeelden
Die Bücher kommen ins Regal zurück.
De boeken komen terug in de kast.
05
verkrijgen, ontvangen
Etwas erhalten oder bekommen
Voorbeelden
Ich komme morgen meine neuen Schuhe.
Ik krijg mijn nieuwe schoenen morgen.
06
beginnen, starten
Mit etwas beginnen oder in eine neue Phase eintreten
Voorbeelden
Er kommt langsam ins Sprechen auf Deutsch.
Hij komt langzaam tot spreken in het Duits.
07
gebeuren, plaatsvinden
Passieren oder geschehen
Voorbeelden
Es kommt oft vor, dass wir uns verspäten.
Het komt vaak voor dat we te laat zijn.
08
waard zijn, waarde hebben
Eine Bedeutung oder einen Wert haben
Voorbeelden
Diese Erfahrung kommt sehr viel Wert zu haben.
Deze ervaring komt veel waarde te hebben.



























