Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausreichen
01
volstaan, voldoende zijn
Genug sein, um einen Zweck oder Bedarf zu erfüllen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
reichen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
reiche aus
3e persoon enkelvoud
reicht aus
onvoltooid deelwoord
ausreichend
onvoltooid verleden tijd
reichte aus
voltooid deelwoord
ausgereicht
Voorbeelden
Das Essen reicht für alle aus.
Het eten volstaat voor iedereen.



























