Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
auch
01
ook, eveneens
Drückt eine zusätzliche Information oder Ähnlichkeit aus
grammaticale informatie
niet vergelijkbaar
Voorbeelden
Ich mag Pizza und auch Pasta.
Ik houd van pizza en ook pasta.
auch
01
toch?
Fragend oder bestätigend, um Sicherheit zu geben
Voorbeelden
Du kommst auch mit, oder?
Jij komt ook mee, toch?
02
Wees ook voorzichtig!, Wees voorzichtig dan!
Erinnert oder warnt mit Nachdruck
Voorbeelden
Sei auch vorsichtig!
Wees ook voorzichtig!
03
daarom, ook
Erklärt eine logische Folge
Voorbeelden
Er ist krank, auch bleibt er im Bett.
Hij is ziek, ook blijft hij in bed.
04
zelfs
Betont eine unerwartete oder extreme Aussage
Voorbeelden
Auch Kinder verstehen diesen Film.
Zelfs kinderen begrijpen deze film.
05
echt, werkelijk
Bestätigt oder betont eine Aussage
Voorbeelden
Ich bin auch müde.
Ik ben ook moe.
06
nou
Begründet eine Aussage
Voorbeelden
"Sie ist stark." "Sie trainiert auch jeden Tag!"
« Ze is sterk. » « Bovendien, traint ze elke dag! »



























