Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
abmachen
01
verwijderen, losmaken
Etwas, das befestigt oder angebracht war, entfernen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
ab
basiswerkwoord
machen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
mache ab
3e persoon enkelvoud
macht ab
onvoltooid deelwoord
abmachend
onvoltooid verleden tijd
machte ab
voltooid deelwoord
abgemacht
Voorbeelden
Er macht das Schild von der Wand ab.
Hij verwijdert het bord van de muur.
02
afspreken, overeenkomen
Eine Vereinbarung treffen oder etwas festlegen
Voorbeelden
Wir haben einen Termin für nächste Woche abgemacht.
We hebben een afspraak voor volgende week gemaakt.



























